Wanneer Seneca deze en zulke woorden zoals in het gemeenschappelijke (voor iedereen) uiteenzette, omhelsde hij zijn vrouw en nadat hij heel even verzwakt was in tegenstelling tot zijn sterkte die er tot even nog was, vraagt hij en smeekt hij dat ze haar pijn zou matigen en dat ze de eeuwige pijn niet op zich zou nemen, maar dat ze in het overschouwen van het leve, geleid in deugdzaamheid, het gemis van haar echtgenoot met edele troost zou verdragen. Zij verzekert daarentegen dat de dood ook door haar vooropgesteld was met klem en ze eiste de hand van de doder op. Dan zegt Seneca, niet gekant tegen haar roem, tegelijk met liefde, om zijn innig beminde vrouw niet over te laten aan onrechtvaardigheden: “Ik had jouw de middelen getoond ter verzachting van het leven aan jouw, jij wil liever de roem van de dood, ik zal jouw voorbeeld niet verafschuwen. Laat de vastberadenheid van deze zo dappere afloop bij elk van beiden gelijk zijn, maar laat er meer beroemdheid zijn in jouw einde.” Hierna snijden ze met dezelfde beweging met een mes in (de aderen van) hun armen.
Aangezien het bejaarde lichaam , dat vermagerd was door het spaarzame voedsel, trage uitwegen aan het bloed gaf, liet Seneca ook de aders van zijn onderbenen en knieholtes doorsnijden, zeer vermoeid door de wilde kwellingen, opdat hij met zijn eigen pijn het gemoed van zijn echtgenote niet zou breken en opdat hij zelf niet zou wegglijden naar onverdraagzaamheid bij het zien van haar kwelling, raadde hij haar aan naar een andere slaapkamer te gaan. En zelfs op het allerlaatste moment, terwijl de welsprekendheid rijkelijk voorhanden was, overleverde (dicteerde) hij zeer veel woorden aan zijn tot bij hem geroepen secretarissen, hetgeen ik nalaat weer te geven omdat ze in zijn eigen woorden al voor de massa uitgegeven zijn.